Niercheck en gesprek


Achter­halen nierfuncties kost nog altijd veel tijd

Apothekers hebben nog niet altijd inzage in nierfunctiewaardes en het achterhalen hiervan is een tijdsintensieve klus. Hierdoor komen zij niet altijd toe aan het uitgebreid voorlichten van patiënten over veilig medicatiegebruik bij een verminderde nierfunctie. Dit blijkt uit het project Nier Check & Gesprek.


Door Ellen Koster, Daphne Philbert en Marcel Bouvy

Het aantal thuiswonende patiënten met polyfarmacie zal de komende jaren blijven toenemen. Deze patiënten worden veelal opgevangen in de eerstelijnsgezondheidszorg en zijn dus zelf, mogelijk gesteund door mantelzorg en thuiszorg, verantwoordelijk voor (goed) geneesmiddelgebruik. Bij patiënten met een nierfunctiestoornis is continue aandacht gewenst voor de farmacotherapie in relatie tot de nierfunctie. Voor de goede begeleiding van deze patiënten hebben apothekers inzicht nodig in laboratoriumwaarden.

Preventie van nierschade

Uit eerder onderzoek blijkt dat van de meerderheid van deze mensen geen recente nierfunctiewaarde in de apotheek aanwezig is. Hieraan liggen verschillende factoren ten grondslag. Zo zijn informatiesystemen van huisartsen, apothekers en ziekenhuizen niet altijd compatibel en meten zorgverleners in de eerste lijn de nierfunctie in lang niet alle gevallen volgens de richtlijnen. Als geneesmiddelexpert kan de openbaar apotheker in samenwerking met de patiënt en de huisarts een belangrijke rol spelen in de preventie van (verdere) nierschade.

Het project Nier Check & Gesprek beoogt het nierveilig medicijngebruik te bevorderen door het opsporen van patiënten met een nog niet bekende verminderde nierfunctie en het geven van (farmacotherapeutische) adviezen en voorlichting.

Beschikbare nierfuncties

Het project is gestart in 38 apotheken, daarvan hebben achttien apothekers nierfunctiegegevens opgevraagd. Voor deze achttien apotheken die nierfuncties opgevraagd hebben voldeden 5808 patiënten (range 57 – 597 patiënten per apotheek) aan de criteria (ouder dan 65 jaar, gebruik van minimaal een risicogeneesmiddel én van vijf of meer chronische geneesmiddelen in de afgelopen vier maanden). Voor 51% was de nierfunctie direct beschikbaar (range 17% - 93%), na afloop van het project steeg dit percentage naar 75% (range 28% – 98%). In totaal hadden 1181 patiënten een eGFR ≤50 ml/min/1,73m². Voor 646 van hen beoordeelden apothekers het medicatiegebruik in relatie tot deze verminderde nierfunctie. Bij 207 patiënten werd aangegeven dat er (klinische) problemen te verwachten waren bij minimaal een van de geneesmiddelen. In meeste gevallen was het advies van de apotheker om de nierfunctiewaarde te blijven monitoren of de dosering te wijzigen.

Advies bij (dreigende) uitdroging

Apothekers nodigden een selectie van patiënten uit voor een niergesprek. In totaal werden 106 niergesprekken gevoerd; apothekers gaven aan dat deze gesprekken gemiddeld zeventien minuten duurden. Van de 106 gevoerde gesprekken waren er 58 onderdeel van een medicatiebeoordeling. Apothekers vonden het belangrijk om tijdens het niergesprek adviezen te geven over zelfzorgmiddelen, het voorkomen van uitdroging en het belang van inzage van de apotheek in nierfunctiewaarden. Patiënten hadden met name vragen over de indicatie van de gebruikte medicatie en de mogelijkheid om een deel van de medicatie te stoppen.

Nuttig en leuk

Na afloop van het project vulden apothekers een vragenlijst in en werden telefonische interviews gehouden. Apothekers gaven aan de zorginterventie als nuttig (95%) en leuk te hebben ervaren. Bij het gros van de patiënten werd het als zinvol ervaren om nogmaals uitleg te geven; het door de onderzoekers geleverde kaartje met tips bleek erg handig voor patiënten. Ook werd aangegeven dat het project administratieve lasten met zich meebracht en met name daardoor tijdrovend was.

Men gaf aan dat de huisarts of assistent meestal welwillend was, maar dat recente nierfunctiegegevens vaak niet aanwezig waren. Artsen zagen dan niet altijd de noodzaak hiervoor op korte termijn te laten prikken. Ook werd aangegeven dat het niergesprek te kort is om als los gesprek te voeren, dus dat dit gekoppeld kan of moet worden aan een apotheekbezoek (medicatie ophalen of medicatiebeoordeling). Het eerste projectdeel (Nier Check), het opvragen van de nierfunctiewaarden, kostte voor de deelnemende apotheken al erg veel tijd.

Adviezen aan patiënt

De interventie werd ook onder patiënten geëvalueerd (zie Tabel 2). Patiënten gaven aan dat tijdens het gesprek met name het (goed) gebruik van de medicatie nogmaals werd uitgelegd en eventuele bijwerkingen werden besproken. Daarnaast gaven apothekers advies over het gebruik van vitamine D en voldoende drinken ter preventie van uitdroging. Ook werd in sommige gevallen – wanneer de patiënt daar interesse in had – uitleg gegeven over de nieren en een verminderde nierfunctie. Naast adviezen aan de patiënt werd in specifieke gevallen door de apotheker contact opgenomen met de (huis)arts om medicatiewijzigingen te bespreken. Over het geheel genomen zijn patiënten en apothekers enthousiast over deze zorginterventie.

Ellen Koster, Daphne Philbert en Marcel Bouvy zijn werkzaam voor UPPER, Universiteit Utrecht.